De fabriek

We bevinden ons in een klein stadje ergens in het Oosten van Nederland begin 19e eeuw. In het met keien geslagen hoofdstraatje van het stadje bevind zich een winkeltje met een uithangbord: STOEL staat er op het bord. Het is de schrijnwerkplaats van Peter en Peter maakt stoelen of eigenlijk een stoel; de perfecte meest simpele stoel. Om dit idee “stoel” te kunnen maken gaat Peter elke dag tegen de avond op een die dag gemaakte stoel zitten. Hij steekt de open haard achter in de werkplaats aan, gaat met zijn gezicht naar een muur zitten en kijkt. In de schaduwen van zijn gestalte die in het bewegende vuur langs de muur kruipen, probeert hij zich de perfecte stoel te verbeelden. De naakte afgestripte ware stoel zoals het idee stoel bedoeld is. Met dat idee gaat hij naar bed, droomt er over en maakt de volgende dag deze stoel.

De zaken gaan niet goed en het lukt Peter niet meer om de huur van de winkel te betalen. Op een dag besluit hij te stoppen. Hij zit die avond te kijken naar zijn schaduwen als de bel van de winkel gaat. Het is de eigenaar van de lokale zagerij waar Peter zijn planken haalde. Het viel hem op dat Peter geen planken meer afnam de laatste tijd en hij kwam eens kijken. De baas vroeg hem een stoel te laten zien. Peter pakte de stoel van die dag en liet hem zien. De baas ging er op zitten maar vond hem maar saai. ‘Een notaris zal nooit op zo’n stoel willen zitten en ook de visboer wil tenminste een kussentje’. Dan valt zijn oog op een stoel in de hoek van de ruimte: ’maar dit is uniek’ roept de baas uit. De stoel die de baas duidt is een stoel met scheve poten en kelkjes op de koppen. ‘Ja ik had een nachtmerrie die nacht daarvoor’ vertelde Peter, ‘negeer die stoel maar, hij komt niet in de buurt van het oorspronkelijke idee’.  De baas vertelde Peter dat hij niet realistisch was, als Peter meer van dit soort stoelen maakte, zou hij ze wel kunnen verkopen. En het mocht wel bij hem in de zagerij. ‘Dat is goed’ zei Peter, ‘maar dan wil ik wel iedere 4 jaar met u bij het vuur zitten en bepraten waarom we dit doen.’ De baas stemde in. Met het gevoel de ogen te zijn geopend ging Peter die volgende ochtend aan het werk in de zagerij.  Hij maakte de ene na de andere stoel op bestelling, een stoel met tierelantijnen voor de burgemeester en een stoel met kussentjes voor de visser, voor de notaris een stoel met grote armleuningen, voor de landwerker een krukje en voor de onderwijzer een stoel die kon draaien; iedere doelgroep kreeg een stoel. Langzaam groeide de zagerij uit tot een fabriek die zich specialiseerde in allerlei meubilair; er kwam een bankmaker en een tafelmaker en er werden volledige eetkamers gemaakt. Peter kocht zijn oude winkeltje en ging er in wonen.

Op een avond zaten de baas en Peter voor een open haard, hun bedrijf was gegroeid en er werkten nu veel mensen. ‘Waarom doen we dit eigenlijk?’ vroeg Peter, ‘waarom groeien we?’ De baas was even stil; ‘voor onze werknemers’ zei hij en hij vertelde over hoe de werknemers in slechte huizen woonden en vaak ziek waren. Ze besloten om een wijkje te bouwen met kleine huisjes en een speeltuintje voor de kinderen. Er werd een metselaar gevraagd en een timmerman, een architect, een smid, een loodgieter en diverse landwerkers. Het was een bedrijf op zich en de baas stelde ook een voorman aan. En Peter moest natuurlijk stoelen maken voor alle huizen. Samen onthulden de baas en Peter een plakkaat die bij de ingang van de fabriek werd opgehangen: ’voor onze arbeiders’ stond er op. Ook Peter kreeg een huisje.

De fabriek groeide nog verder en inmiddels werkte iedereen in het stadje voor de fabriek. Stoom deed zijn intrede en de meubels en andere huisraad werden gemaakt door grote machines. En weer kwamen Peter en de baas samen en weer stelde Peter de baas de vraag ‘waarom groeien we?’ De baas gaf vlot antwoord: ”Omdat we een verantwoordelijkheid hebben naar de stad” zei hij en hij liep naar een andere kamer. Daar stond het voltallige gemeentebestuur gebogen over een maquette. ‘We hebben een beter leidingensysteem nodig, de sanitaire voorzieningen  zijn inderdaad slecht,’  zei er een. ‘We hebben een school nodig en een kunstzinnig centrum om de arbeidersklasse te verheffen,’ zei een ander. ‘Ik heb een spoorweg nodig die grondstoffen makkelijk kan aanleveren en producten kan vervoeren naar klanten verder weg’ zei de baas. En de stad groeide.

Zestien jaar later overleed de baas. Er was een kleine crisis, ‘Wie moest hem opvolgen?’ Er werd besloten een dat een aantal mensen van de verschillende takken van het bedrijf een board zouden vormen en Peter mocht er in namens de afdeling meubelen. Ook hier stelde Peter weer de vraag: ‘Waarom doen we dit werk en waarom groeien we?’ ‘We werken voor dit bedrijf en deze stad’ zei de voorzitter.’ ‘En de hele regio!’ zei een andere stem. De voorzitter stelde de groep bestuursleden de heer Bank voor. De heer Bank was een zoon van Fred Bank die banken maakte. De zoon had zich nu bezig gehouden met de financiële afwikkelingen van het bedrijf. ‘Ik heb van het rijk een bankvergunning gekregen’  sprak hij, ‘wij hebben namelijk een bank nodig om onze arbeiders een plek te geven waar ze kunnen sparen, en eh investeringen te kunnen doen’. Meneer Bank deed een plan uit de doeken waarin stond hoe dit gerealiseerd kon worden. Ze zouden tevens drie andere fabrieken die grondstoffen voor hun fabriek maakten overnemen en met de winst hiervan zouden ze in de toekomst deze instellingen (banken) weer kunnen betalen. ‘Hoera, op onze arbeiders!’

Vier jaar later liep Peter de trap op naar het kantoor van de bestuursvoorzitter. ‘Nu even niet Peter, ik ben in een belangrijk gesprek’ sprak de bestuursvoorzitter. Peter zag op de muur een schaduw van een grote man met een hoge hoed, de president van het land. Peter bleef om de hoek van de deur staan luisteren. ‘Natuurlijk willen wij u deze leningen verstrekken of zullen we het obligaties noemen? Dat is wel een mooi woord.’ ‘Obligaties?’ ‘Ja een soort aandelen in de staat’. Peter wordt weer binnengehaald met de vraag of de machines niet ook producten kunnen maken van iets minder hoogwaardig materiaal, zodat deze aandelen betaald kunnen worden.

Het is acht jaar later en Peter vraagt de board: ’Waarom  groeien we?’ ‘Voor het land’ zegt de bestuursvoorzitter, ‘wij zijn het land’. Board member nummer 255 steekt zijn vinger op: ‘Dan mag dat land wel eens wat beter met ons omgaan, hebben jullie de nieuwste belastingen gezien? En ze mogen die grenzen ook wel eens opengooien, anders kunnen we niet meer groeien en dan gaat dit land naar de knoppen. Leg ze dat maar uit’. De voorzitter loopt naar achter in de ruimte naar een bakelieten kubus met een draaischijf en twee koppen met een draad er tussen. Hij praat in een van de koppen. Aan de andere kant klinkt een vrouwenstem en even later een mannenstem. De voorzitter zegt iets over staatsaandelen die hij in een keer allemaal kan verkopen. ‘Zo geregeld’ zegt de voorzitter terwijl hij terugloopt.  ‘En nog iets, we gaan de board verkleinen naar 10 man’.  Op de weg terug naar huis ziet Peter dat het plakkaat met ‘Voor onze arbeiders’ verwijderd wordt. In plaats daarvan komt een nieuw bord: ‘Wij, de grootste, een sterk merk.’

Het is weer enkele jaren later, Peter valt vanaf nu onder Pieter die weer onder meneer Derksen valt, die weer onder een man valt die Peter niet kent en die onder board member 9 valt. Er breekt een crisis uit en het bedrijf moet om te overleven al zijn obligaties verkopen. De regering valt en de nieuwe regering verhoogt de belastingen. Het bedrijf verhuist naar een ander land en Peter staat op straat. Terwijl hij door het stadje slentert valt zijn oog op zijn oude winkeltje/werkplaats, het is nog steeds van hem. Hij pakt de sleutel van onder de deurmat en stapt naar binnen. Met zijn inmiddels gerimpelde vingers pakt hij wat hout bij elkaar. Hij zucht, steekt het vuur aan,  gaat op een stoel zitten en staart naar de muur waar zich een schaduw beweegt, van hem en van zijn stoel.

 

stoel